Jeugdzorg, deel 1

Ik was zelf nog een kind. Een jaar of 12. Ik zat in de zandbak met de kleine ukken op de jachthaven, waar mijn familie een boot had. Ik paste op de kleintjes als de ouders wilden zeilen. Daar kreeg ik dan een flesje chocomel voor of een ijsje. Dat durfde ik nauwelijks aan te nemen. Ik vond het raar als mensen me wilden bedanken voor iets wat ik uit mezelf gewoon graag deed. Spelen met kleine kinderen. Ik kon er geen genoeg van krijgen. Ik vond ze zo lief en wilde graag wat over ze moederen.
Iedereen zei altijd: Sabine is zo goed met kinderen! Die moet later met kinderen werken.
Later, toen ik wat ouder was, volgde ik kindgerichte opleidingen, liep stage bij de kinder- en jongerentelefoon en voelde dat ik een speciale antenne had voor de kinderen op het kinderdagverblijf, waar ik een jaartje vrijwilligster was geweest. Ik kon de lastigste schreeuwers rustig krijgen. Ik voelde gewoon wat ze nodig hadden.
Mijn vriendin zei: waarom word je geen moeder? Je zou zo’n lieve moeder zijn!
Ik was bang om moeder te worden. Bang dat ik mijn eigen jeugd ongewild op mijn kind zou projecteren. Dat ik het ongewild zou belasten met de erfenis van een problematische familie.
Ik had haar al gezien toen ik zelf nog een kind was. Ik zei vaak tegen mijn moeder: ‘mama, ik zie mezelf als ik groot ben. Als een moeder. Met een kind. Maar er is geen man bij.’
Ik raakte daar van in paniek. Dat ik alleen een kind zou krijgen. Mijn moeder troostte me dat zoiets niet kon. Om een kind te krijgen had je immers wel een man nodig.
Toch kwam dat beeld uit. Ik werd op mijn 32, vlak na de geboorte, een alleenstaande moeder. Heel erg alleenstaand, in een vreemd deel van het land. Zonder partner, zonder familie om op terug te vallen. Zonder sociaal netwerk. Heel erg onzeker, bang het verkeerd te doen. En met een enorme liefde en beschermingsdrang naar dat tere wezentje dat nu afhankelijk van mij was.
Spoedig zou ze er uit gaan zien zoals ik haar gezien had in het toekomstvisioen dat ik als kind al had. Inclusief het rode jurkje met de gele stippen dat ze voor haar eerste verjaardag van een kennis kreeg.

De ellende begon 12 jaar geleden, met haar geboorte. Haar vader was jaloers en wilde haar voor zichzelf opeisen. Dat deed hij door mij verdacht te maken bij de kraamzorg. De kraamzorg had het door en had Goddank gezien dat ik goed met het kind was. Daarna dreigde hij haar een paar keer bij me weg te halen. Want ik was volgens hem geestelijk gestoord en kon niet voor een kind zorgen.
Met behulp van een advocaat heb ik de man uit ons leven weg kunnen krijgen. Dat ging vrij makkelijk, daar hij haar nooit heeft willen erkennen en nooit ook maar 1 enkele verantwoordelijkheid naar ons had getoond. Bang dat hem dat geld ging kosten. Want Drenten zijn erg op de centen.
Met zijn zus, die ooit voor jeugdzorg had gewerkt, bleef nog wel even sporadisch contact. Zij wist echter niet wat er was voorgevallen tussen haar broer en mij. Daar schaamde ik me te erg voor.
Op de vierde verjaardag van mijn dochter, begon ze in het bijzijn van anderen te verkondigen dat ik een persoonlijkheidsstoornis had. Waarom ze daar over begon, wat de aanleiding was…geen idee. Ze kende mij nauwelijks. We zagen elkaar nauwelijks. Ik had geen enkele aanleiding gegeven tot deze merkwaardige opmerking en het was zeker niet het juiste moment om iemand van zoiets te betichten. Volgens mij horen dit soort diagnoses niet thuis op kinderverjaardagen en horen zij ook niet door leken, maar door deskundigen, dus psychiaters gesteld te worden. NA een gedegen onderzoek.
Ik was zo geschokt hierdoor, dat ik ze definitief de deur heb gewezen. Ik had al die jaren in mijn eentje voor mijn kind gezorgd, van slechts bijstand. En het enige waar zij mee kwamen, na vier jaar, was een tamboerijntje voor mijn dochter en een etiketje voor mij.
Maar dit soort verhalen gaan op een gegeven moment een eigen leven leiden en richten veel schade aan. Vooral hier in de dorpen op het platteland, waar iedereen elkaar kent, gonzen dit soort sensatieachtige berichten nog lang na en iedereen neemt zonder meer praatjes over.
Volgens wetenschappelijk onderzoek zou roddel goed zijn voor de groep. Dat kan wel wezen. Maar roddel is niet goed voor het individu. Tenzij je je verlaagt tot hetzelfde niveau. Maar met wie had ik moeten roddelen? En over wie? Ik was een alleenstaande moeder uit het westen in een vreemd deel van het land die een teruggetrokken leven leidde, waarin de zorg voor mijn kind centraal stond. Ik kon me er niet tegen verweren en er was niemand die het voor mij opnam.
Ik had mijn eigen levensstijl ontwikkeld: Ik schreef sprookjes. Ik deed aan handlijnkunde. Meditatie. Droeg hippie-kleren. Dus (?) was ik volgens zo’n beetje iedereen ook aan de drugs! En ik nam het vast ook niet zo nauw met de zeden, want anders had ik wel een man gehad. En omdat ik nergens geaccepteerd werd zoals ik was, bleef ik maar verhuizen voor de laster en de pesterij aan mijn adres. Overal waar ik opnieuw begon, was ik natuurlijk een vreemd mens. Want welke vrouw verhuist er nou alleen met een kind van hot naar her. Geen man, geen werk, geen familie. Knalrode haren en een paarse soepjurk. Ze wezen naar hun voorhoofd, als ze me zagen. Of scholden me uit, in de achtertuin. En ook bleven mensen maar roepen dat ik gestoord was en een persoonlijkheidstoornis had. NOOIT de psychologen die ik consulteerde, in mijn eenzame wanhoop. Die niet. Maar gewoon vrouwen. Uit de buurt. Buurvrouwen vaak. Of gewoon vrouwen die jaloers waren omdat ik, voor ik brak, een erg charismatisch, spontaan en toegankelijk persoon was. Zo iemand kon er wel eens vandoor gaan. Met hún man!
En zo kreeg ik na 12 jaar verhuizen, opzoek naar een plek waar ik gewoon mocht zijn zoals ik ben, opzoek naar veiligheid en misschien zelfs een klein beetje respect, het AMK op me afgestuurd.

2 gedachten over “Jeugdzorg, deel 1”

  1. Heftig Sabine, ik prijs mezelf gelukkig met de vele mooie en bijzondere mensen (zoals jij) die mijn leven helpen verrijken. Maar ben me er ook van bewust dat de extreemste vorm van naargeestige kleinzieligheid in Nederland epidemische vormen heeft aangenomen. Mensen die me doen denken aan de film: Life according to Garp. Ken je die? Met een nog jonge Robin Williams. Waarin mensen met zwakke persoonlijkheden, zich gewoon niet kunnen bedwingen om de mensen die het geluk wél in zich hebben om er iets moois van te maken kapot te maken uit begeerte of afgunst. Ik heb er in mijn leven ook zat mee te maken gehad, maar zie ze door schade en schande en door nu beter naar mijn intuïtie te luisteren, van verre aankomen en mijd ze als de pest. Heb er nog steeds weleens mee te maken hoor, maar dan vooral nog bij banken, incassobureaus en instanties. Vaak de leefomgeving waarin dit type het meeste gedijt.

    1. Ik heb heel lang mijn intuïtie niet serieus genomen en gedacht dat ik de ander op zijn of haar woord moest geloven. Dat doe ik niet meer. Ik ben te lang te goed van vertrouwen geweest. Maar als ik iets niet vertrouw, puur op intuïtie, krijg ik weer te horen dat ik paranoïa ben, spoken zie en wantrouwend ben. En dat DAT weer bij mijn ‘stoornis’ hoort! Er is zo vreselijk ROT met mij en mijn dochter omgegaan. Ik kan het gewoon maar niet goed doen in de ogen van anderen. En dat is precies de reden dat ik me terug trek. Maar dat mag van de sociale dienst weer niet. Ik moet volgens de wet geactiveerd worden. Gelukkig loop ik nu totaal uitgeput bij een arts in het ziekenhuis en daar gaat een heel team van mensen ineens om me heen staan om me in bescherming te nemen. Nog nooit meegemaakt. Ze zijn ontzettend lief en geven me (op dit moment, voorzichtigheid geboden) een veilig gevoel waardoor ik een klein beetje tot rust kan komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *