Zoektocht naar de zachtheid, 3

Ik schreef gisteren een stukje over de vier urnen op het bordes achter het Schwetzinger Schloss. Gemaakt door de vlaamse beeldhouwer Anton van Verschaffelt. Ze stellen de vier wereldtijden voor, uit de Griekse mythologie. De gouden, zilveren, bronzen en ijzeren tijd. De ijzeren tijd is de tijd waarin we nu leven: die van algehele rechteloosheid.

Elke keer als ik denk: het kan niet erger! Blijkt het nog erger te kunnen worden.
Elke keer als ik denk: Dat doen ze ons heus niet aan! Dan doen ze het ons aan.
Ik had nooit gedacht dat er in dat beschaafde Nederland zo onmenselijk met mensen om gegaan kon worden. Maar ik heb het allemaal al meegemaakt: dakloos zijn. Hoeveel erger wil je het hebben? De overheid keek weg. Deed niets. Ik weet hoe het is om hulpbehoevend te zijn maar geen thuiszorg te krijgen. Vanmorgen kwam ik nog op handen en knieën uit bed van de pijn.
Hoe vaak ik niet verkrampt urenlang in de boekenkast heb gehangen, tot er eindelijk hulp kwam. Hoe vaak heb ik niet dagenlang met zware hartkloppingen doodziek op bed gelegen. Of dat ik door mijn rug was gegaan en niet meer van de grond af kwam.
Ik voel me allang geen mens meer. En van mij hoeven ze echt niet meer te verwachten dat ik nog participeer in deze maatschappij, want sinds ik met mijn baby in de bijstand belandde ben ik nooit meer wat waard geweest. Stik maar in je ‘maatschappij’. Maat-schappij. Van het elkaar de maat nemen, neem ik aan.

Achter het badhuis van keurvorst Carl Theodor ligt een bassin met waterspugende vogels. Omringt door loofgangen, met prieeltjes, 2 schitterende achaathuisjes in rococostijl en volieres waar druk getwittert wordt. Op de rand, boven het bassin, zitten metalen vogels die water spugen op een beeld van een oehoe, die in het bassin staat en een andere vogel in zijn klauwen heeft. Het beeld draagt de boodschap uit dat je niet je eigen soort moet pakken.
De eigen soort pakken is waar de Nederlander erg goed in is. Druk twitterend op het internet zeiken ze elkaar af, nemen elkaar de maat, oordelen zonder zich eerst ergens in te verdiepen. De linkse, die het hardste roepen om een socialer klimaat zijn onder elkaar nog het grofst. Be the change you wish to see in the World is de meesten volkomen vreemd.

Toen ik gisterenavond laat mijn administratie er bij pakte om de cijfers te controleren (ik dacht dat de uitkeringen gelijk bleven) kwam ik er achter dat ik vanaf 1 juli wel 72 euro per maand inlever van mijn bijstandsuitkering. (huurverhoging en bijstandverlaging) Ik ga er dit jaar waarschijnlijk in totaal zo’n 10% op achteruit. Dat is een hele hoop, als je op bijstandsniveau zit. En wegens de hoge lasten (dankzij de hulpverlening die ons in een te duur huis zette) heb ik geen marge over om dit soort klappen nog op te vangen.
Er kwam zo’n rare gedachte in me op. De eerste was: ik moet een pleeggezin voor mijn kind gaan zoeken, want ik kan zo niet meer voor haar zorgen. Maar dat was de minst vreemde gedachte, want die heb ik de laatste 2 jaar wel vaker gehad. Nee, ik dacht iets anders wat ECHT gek was: ik zal als een hoopje ellende mijn kist in gaan. Ik had me altijd voorgesteld in het harnas te sterven. Zoals ik altijd was: krachtig en strijdbaar. Met mijn vlammende rode haren, wild alle kanten op. Ik wil in stijl. MIJN stijl.
Ik wil niet afgemat, opgebrand, gebroken, als een hoopje ellende de eeuwigheid tegemoet en de grond in gestampt worden. In half vergane kleren, die ik toebedeeld krijg van het leger des heils. Met uitgroei in mijn haren, die onverzorgd en piekerig langs een krachteloos gezicht zullen vallen. Omdat ik niet meer in staat was mezelf te verzorgen, niet meer gezond kon eten, niet meer gezond kon leven. Ik wil niet eindigen als een schim van wat ik was, omdat het me niet gegund wordt overeind te blijven, nog niet als het voor mijn kind was.
Nee, zelfs als moeder ben ik nog niets waard. Ik kan de sneren krijgen: Dat ik niet voor een kind kan zorgen. Hoe vaak moet ik me dat nog laten zeggen? Zeg het alsjeblieft een keer recht in mijn bek, dan kan ik tenminste nog een klap in je smoel geven! Maar die moed hebben ze nooit.

In gedachten dwaal ik door de aboretum met oude, dikke bomen, die Carl Theodor aan liet leggen voor wetenschappelijke doeleinden. De prachtige schaduwen die de laaghangende herfstzon op het gazon wierp, waar blaadjes in allerlei vormen en allerlei kleuren lagen. We verzamelden alles, mijn dochter en ik: veren, blaadjes, kastanjes.
Ik hoor het gesnater van de eenden. Het gegak van de ganzen. We zitten in de ‘hut’ en zoeken naar pauwenveertjes, onder de takken waar de pauwen soms op stok gaan.
Elke dag waren we hier. Ik vertelde mijn dochter alle Griekse verhalen in de tuin. We observeerden de eekhoorntjes. Voerden stiekem de pauwen. We keken de ondergaande zon na, boven op de Romeinse waterburcht. ‘Daar ligt Nederland, hè, mama?’
En dan dachten we aan de mensen die we hadden achter gelaten en waar we van hielden.
Door allen in de steek gelaten of verraden, zal ik er eeuwig spijt van hebben dat ik ben terug gekomen.

Maar in gedachten zwerf ik elke dag door deze tuin. En als ik daar ben wordt het zacht in mijn hart.
Ik zal, zolang als ik papier kan betalen, de verhalen uit deze tuin blijven tekenen. Omdat ik niet net zo hard als deze wereld is geworden( ijzerhard), aan mijn eind wil komen.
tekeningenduitsland 002

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *