Voor de kinderombudsman

collage 002Twee uur weg geslapen. Maar waarom, geen idee. Zoveel had ik toch niet gedaan vandaag. Ik had slechts 1 afspraak. Bij de jeugd GGZ. Een gesprek over mijn dochter, waar ik hulp voor zoek om de nare herinneringen uit haar systeem te krijgen.
‘Welke traumatische ervaringen heeft ze opgelopen, volgens u?’ Vraagt de hulpverleenster tegenover me.
Na drie kwartier ben ik nog niet klaar. Ze willen alles weten. Vanaf dat ze een baby was. Ik snap niet goed waarom. Een baby kan zich toch niet herinneren dat iemand die zich vader noemt, haar wil ontvoeren? Of haar moeder uitscheldt , treitert en bedreigd?
Maar ik vertel. Hoe we van die nare vent afkwamen en daarna in een verbouwde varkensschuur terecht kwamen, omdat de caravan te koud was en te vochtig.
‘Nee, we kregen geen huis. Ik was volgens de woningcorporatie niet urgent genoeg.’ De hulpverleenster tegenover me schudt met haar hoofd. Wacht maar, denk ik. Als ik klaar ben zit je me waarschijnlijk alleen nog met opengevallen mond aan te staren.
Want de verhuurder van de varkensschuur had 7 honden die 24 uur per dag blaften. En als ik er wat van zei dreigde hij ons er uit te donderen. Hij kwam ook met een sleutel ongevraagd binnen en snuffelde in mijn post.
Mijn dochter huilde in die periode alleen maar.
Toen verhuisden we naar een ééngezinswoning in Hoogeveen. Daar hadden we elke dag stenen, vuurwerk en leren voetballen tegen de ramen. Mijn voortuin werd finaal gesloopt door kinderen en als ik de bal afpakte, stond hun moeder net zolang aan te bellen tot ik open deed en schold me verrot waar mijn kind van anderhalf bij was. Een andere buurvrouw, met ook twee pestjochies, werkte als directie-secretaresse bij de Riagg. Zij had daar van mij een dossier gevonden en gooide alle informatie op straat. Ik kwam er achter door andere buren. Haar naam was Haas. (die mag je letterlijk oppakken)
Binnen een jaar ben ik met ernstige doodsbedreigingen aan mijn adres en brandstichting in mijn voortuin (de politie deed niets) naar Meppel gevlucht.
‘Ik heb geen idee of mijn dochter daar bewust iets van heeft meegekregen. Maar ik herinner me wel dat ze als kleine ukkepuk zei, als de boze buurvrouw haar vinger op de bel gedrukt hield: mama, visite!’
In Meppel ben ik eerst gestalkt door de sociale dienst. Die behandelden me zo slecht dat als ik met mijn dochter achterop langs het kantoor fietste, mijn dochter met haar peutervingertje er naar toe wees en zei: ‘Daar wordt mijn mama verdrietig van.’
Kinderen ontgaat niets! Als er post op de mat lag met het wapen van Meppel erop, datzelfde priemende vingertje: Daar wordt mijn mama verdrietig van.
Dan vertel ik dat ik na jaren een man ontmoet die vergeet te vertellen dat hij eigenlijk getrouwd is en hoe ik dan de halve stad over mee heen krijg, omdat ik een westerse kuthoer ben. Dat ik pas heel langzaam doorkrijg dat de man verschillende rollen speelt en van verschillende walletjes tegelijk eet. Hoe hij ons tijdens autopech in het buitenland achter laat en alleen met een leenauto terug naar Nederland rijdt. Zonder wat te zeggen! En in Nederland iedereen vertelt dat we ruzie zouden hebben gehad. Mensen geloven àlles wat hij zegt! Langzaam raak ik al al mijn sociale contacten kwijt. Mijn kind heeft een moeder die er alleen fysiek nog is. Geestelijk was ik kapot.
Na anderhalf jaar vlucht ik wegens stalking uit Meppel naar Harlingen, waar de ellende nog even een tijdje doorgaat. Tot ik zo ziek word, dat ik echt op het randje lig en een jaar nodig heb om te herstellen.
De hulpverleenster tegenover me is stil en noteert.
‘Van een heel vrolijk en goedlachs kind met een bulderlach, heb ik haar toen zien veranderen. Alsof er een schaduw over haar gleed. Ze wilde helemaal niet naar Harlingen. Maar ze moest, want ze had geen keuze. Omdat haar moeder niet met rust gelaten werd. ‘
Ik vertelde dat ik gelijk weer het mes op de keel had gekregen van de volgende sociale dienst. Geen enkel begrip voor alles wat we meemaakten. Dat er geen thuiszorg kwam, toen ik doodziek was. Dat mijn dochter door al die ziekte, in een zorgelijke sfeer opgroeide.
Opnieuw in een volksbuurtje met platte, kortzichtige types die, hoewel zelf allemaal werkloos, mij veroordeelden omdat ik niet werkte. Me uitscholden. Provoceerden. We leefden op de kale vloer. Ik was weer zo’n gevallen vrouw waarvan niemand wist waar ze vandaan kwam. Maar waar iedereen een oordeel over had.
Na drie jaar sociaal isolement zijn we dus in overleg met zogenaamde deskundigen die bij ons betrokken waren, naar Duitsland gegaan. Omdat ik daar meer kansen had.
‘En u weet hoe het ons daar vergaan is.’
Hier aangekomen kan ik alleen nog praten over de mooie herinneringen. Mijn werk als gids. De mensen die ons daar bedreigd hebben omdat ik weer niet degelijk genoeg in hun ogen zou zijn, daar kan ik niet over praten. Dan stort ik in.
Ik zeg tegen de hulpverleenster: ‘Misschien snapt u dat het nogal een moedige stap was om voor mijn dochter terug naar Meppel te komen. En dat het zacht gezegd erg wrang is, erg vernederend, om dan een half jaar aan je lot te worden overgelaten. Een half jaar met je kind als twee daklozen door Nederland te zwerven en dan ook nog opgejaagd te worden door jeugdzorg. Die verder geen POOT uitstaken om ons te helpen.’

Opgejaagd wild. Dat is zoals ik me al 12 jaar voel. Opgejaagd, maar nooit afgeschoten.
Ik snap überhaupt niet waarom mensen jacht willen maken op een alleenstaande moeder. Wat is daar leuk aan? Is daar eer aan te behalen en zo ja: welke? Hebben ze dan nooit ook maar één keer gedacht aan de gevolgen voor MIJN kind, waar ik zoveel van hou en die ik verdomme NOOIT heb kunnen beschermen tegen al die idioten! Hoe schuldig ik me daar over voel. Over het tekortschieten naar haar. Het eeuwige tekort. Altijd verhuizen. Altijd die armoe. Of we leefden op het kale beton. Of we hadden geen keuken. Of we moesten naar de voedselbank, waar je brood mee kreeg waar de schimmel opstond!
Bij mijn weten vallen wij niemand lastig. Ik leef een teruggetrokken leven, veroorzaak geen overlast, bemoei me met niemand en houd rekening met anderen. Ik heb al die jaren mijn handen vol gehad aan de zorg voor mijn kind EN mezelf. Want inmiddels lopen we allebei met onverwerkte trauma’s rond. En toch was het nooit goed genoeg, wat ik deed of niet deed.
‘De tijd zit er op.’ Zegt de hulpverleenster, met een blik op de klok. ‘Maar ik zit nog vol vragen. Daar is alleen geen tijd meer voor. ‘
We maken een belafspraak. Ze pakt haar brood uit haar tas, sluit haar kantoor af. We nemen in de gang afscheid, waar het een komen en gaan is van mensen die zich naar de kantine haasten.
Hierna hebben ze nog een stuk of drie afspraken, stel ik me voor. En morgen weer opnieuw.
Maar ik leg me thuis even neer op bed en slaap twee uur weg. Tot niets meer in staat. Mezelf afvragend waar ik toch zo moe van kan zijn….

 

2 gedachten over “Voor de kinderombudsman”

    1. Wat fijn dat je mij gevonden hebt!!! Ik zat maar aan je te denken, hoe ik je bereiken moest! Op sprookjesvansabine.blogspot.nogwat (com ofzo) staan mijn contactgegevens. Warme groet!:-)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *